Ezechiël 34:7-10

Statenvertaling · De Here zelf de Goede Herder van zijn volk

7Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord!

8Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet;

9Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord!

10Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn.

Lees heel Ezechiël 34 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Ezechiël 34:7-10 in de interactieve Bijbel →