Ezechiël 10:10-13

Statenvertaling · De heerlijkheid des Heren verlaat de tempel

10En aangaande hun gedaanten, die vier hadden enerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest een rad in het midden van een rad.

11Als die gingen, zo gingen deze op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen; maar de plaats, waarheen het hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om, als zij gingen.

12Hun ganse lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun raderen.

13Aangaande de raderen, elkeen derzelve werd voor mijn ogen genoemd Galgal.

Lees heel Ezechiël 10 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Ezechiël 10:10-13 in de interactieve Bijbel →