Statenvertaling · De vijfde plaag: Veepest
30Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van den HEERE God nog niet vrezen zult.
31Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in den halm.
32Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.