Statenvertaling · Mozes’ terugkeer naar Egypte
11En de HEERE zeide tot hem: Wie heeft den mens den mond gemaakt, of wie heeft den stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?
12En nu ga henen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat gij spreken zult.
13Doch hij zeide: Och, Heere! zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden.