Statenvertaling · Zegen en vloek
3Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.
4Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.
5Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog.
6Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
7De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.