Deuteronomium 2:33-37

Statenvertaling · De tocht langs Edom, Moab en Ammon

33En de HEERE, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.

34En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.

35Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden, die wij innamen.

36Van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; de HEERE, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.

37Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderdet gij niet, noch tot de ganse streek der beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat de HEERE, onze God, ons verboden had.

Lees heel Deuteronomium 2 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Deuteronomium 2:33-37 in de interactieve Bijbel →