Deuteronomium 14:12-20

Statenvertaling · Verboden rouwgebruiken

12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;

13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;

14En alle rave naar zijn aard;

15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,

17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;

18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;

19Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.

20Al het rein gevogelte zult gij eten.

Lees heel Deuteronomium 14 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Deuteronomium 14:12-20 in de interactieve Bijbel →