Amos 5:21-27

Statenvertaling · Een klaaglied over Israël

21Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbods dagen niet rieken.

22Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien.

23Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luiten spel niet horen.

24Maar laat het oordeel zich daarhenen wenden als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek.

25Hebt gij Mij veertig jaren in de woestijn slachtofferen en spijsoffer toegebracht, o huis Israels?

26Ja, gij droegt de tent van uw Melech, en den Kijun, uw beelden, de ster uws gods, dien gij uzelf hadt gemaakt.

27Daarom zal Ik ulieden gevankelijk wegvoeren, ver boven Damaskus henen, zegt de HEERE, Wiens Naam is God der heirscharen.

Lees heel Amos 5 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Amos 5:21-27 in de interactieve Bijbel →