2 Samuel 13:26-29

Statenvertaling · Amnon en Tamar

26Toen zeide Absalom: Zo niet, laat toch mijn broeder Amnon met ons gaan. Maar de koning zeide tot hem: Waarom zou hij met u gaan?

27Als Absalom bij hem aanhield, zo liet hij Amnon en al des konings zonen met hem gaan.

28Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van den wijn, en ik tot ulieden zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult gij hem doden; vreest niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper.

29En Absaloms jongens deden aan Amnon, gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen des konings op, en reden een iegelijk op zijn muildier, en vloden.

Lees heel 2 Samuel 13 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees 2 Samuel 13:26-29 in de interactieve Bijbel →