2 Kronieken 19:1-7

Statenvertaling · Josafats regeling der rechtspraak

1En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.

2En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Josafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.

3Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want gij hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.

4Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van Efraim toe, en deed hen wederkeren tot den HEERE, hunner vaderen God.

5En hij stelde richters in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad.

6En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.

7Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.

Lees heel 2 Kronieken 19 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees 2 Kronieken 19:1-7 in de interactieve Bijbel →