2 Koningen 9:27-31

Statenvertaling · Jehu wordt koning van Israël

27Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op den wagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar.

28En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen in de stad Davids.

29In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda.

30En Jehu kwam te Jizreel. Als Izebel dat hoorde, zo blankette zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.

31Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri, doodslager van zijn heer?

Lees heel 2 Koningen 9 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees 2 Koningen 9:27-31 in de interactieve Bijbel →