1 Kronieken 21:1-7

Statenvertaling · Volkstelling en straf – De plaats voor de tempel

1Toen stond de satan op tegen Israel, en hij porde David aan, dat hij Israel telde.

2En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat heen, telt Israel van Ber-seba tot Dan toe, en brengt hen tot mij, dat ik hun getal wete.

3Toen zeide Joab: De HEERE doe tot Zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israel tot schuld worden?

4Doch het woord des konings nam de overhand tegen Joab; derhalve toog Joab uit, en hij doorwandelde gans Israel; daarna kwam hij weder te Jeruzalem.

5En Joab gaf David de som van het gestelde volk; en gans Israel was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.

6Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet; want des konings woord was Joab een gruwel.

7En deze zaak was kwaad in de ogen Gods; daarom sloeg Hij Israel.

Lees heel 1 Kronieken 21 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees 1 Kronieken 21:1-7 in de interactieve Bijbel →