Statenvertaling · Davids lofzang
18Zeggende: Ik zal u het land Kanaan geven, een snoer van ulieder erfdeel;
19Als gij weinige mensen in getal waart; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.
20En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk.
21Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
22Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
23Zingt den HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
24Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.