1 Kronieken 11:27-47

Statenvertaling · David wordt koning en verovert Jeruzalem

27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;

29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;

30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;

31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;

32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;

33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;

34Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;

35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;

37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;

38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;

39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;

41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

42Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd der Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;

43Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;

44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;

45Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;

46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

Lees heel 1 Kronieken 11 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees 1 Kronieken 11:27-47 in de interactieve Bijbel →