Zerubbabel: Leidt de bevrijde Joden terug uit Babel

Bijbels onderwerp · 7 Bijbelteksten · Statenvertaling

Ezra 1:11 11Alle vaten van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazar op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem.

Ezra 2:1-2 1Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad; 2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.

Nehemia 12:1 1Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, en Jesua, optogen: Seraja, Jeremia, Ezra,

Nehemia 12:47 47Daarom gaf gans Israel, in de dagen van Zerubbabel, en in de dagen van Nehemia, de delen der zangers en der poortiers, van elk dagelijks op zijn dag; en zij heiligden voor de Levieten, en de Levieten heiligden voor de kinderen van Aaron.

Ezra 1:8-10 8En Kores, de koning van Perzie, bracht ze uit door de hand van Mithredath, den schatmeester, die ze aan Sesbazar, den vorst van Juda, toetelde. 9En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen; 10Dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers; andere vaten, duizend.

Ezra 2:3-70 3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig. 4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig. 5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig. 6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf. 7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. 8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig. 9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig. 10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig. 11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig. 12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig. 13De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig. 14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig. 15De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig. 16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig. 17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig. 18De kinderen van Jora, honderd en twaalf. 19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig. 20De kinderen van Gibbar, vijf en negentig. 21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig. 22De mannen van Netofa, zes en vijftig. 23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig. 24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig. 25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig. 26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig. 27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig. 28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig. 29De kinderen van Nebo, twee en vijftig. 30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig. 31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. 32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig. 33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig. 34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig. 35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig. 36De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig. 37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig. 38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig. 39De kinderen van Harim, duizend en zeventien. 40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig. 41De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig. 42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig. 43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon; 45De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub; 46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan; 47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja; 48De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam; 49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai; 50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim; 51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; 52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; 53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa. 55De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda; 56De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; 57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami. 58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. 59Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren. 60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig. 61En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was. 62Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. 63En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim. 64Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig. 65Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen. 66Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; 67Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig. 68En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats. 69Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken. 70En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.

Nehemia 12:2-46 2Amarja, Malluch, Hattus, 3Sechanja, Rehum, Meremoth, 4Iddo, Ginnethoi, Abia, 5Mijamin, Maadja, Bilga, 6Semaja, en Jojarib, Jedaja, 7Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden der priesteren, en hun broederen, in de dagen van Jesua. 8En de Levieten waren: Jesua, Binnui, Kadmiel, Serebja, Juda, Matthanja; hij en zijn broederen waren over de dankzeggingen. 9En Bakbukja, en Unni, hun broederen, waren tegen hen over in de wachten. 10Jesua nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jojada, 11En Jojada gewon Jonathan, en Jonathan gewon Jaddua. 12En in de dagen van Jojakim waren priesters, hoofden der vaderen: van Seraja was Meraja; van Jeremia, Hananja; 13Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan; 14Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef; 15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai; 16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam; 17Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai; 18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan; 19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi; 20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber; 21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel. 22Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en Jaddua, de hoofden der vaderen beschreven; mitsgaders de priesteren, tot het koninkrijk van Darius, den Perziaan. 23De kinderen van Levi, de hoofden der vaderen, werden beschreven in het boek der kronieken, tot de dagen van Johanan, den zoon van Eljasib, toe. 24De hoofden dan der Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiel, en hun broederen tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, den man Gods, wacht tegen wacht. 25Matthanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub, waren poortiers, de wacht waarnemende bij de schatkamers der poorten. 26Dezen waren in de dagen van Jojakim, den zoon van Jesua, den zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia, den landvoogd, en van den priester Ezra, den schriftgeleerde. 27In de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en met harpen. 28Alzo werden de kinderen der zangers verzameld, zo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten; 29En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmaveth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem. 30En de priesters en de Levieten reinigden zichzelven; daarna reinigden zij het volk, en de poorten, en den muur. 31Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op den muur; en ik stelde twee grote dankkoren en omgangen, een ter rechterhand op den muur, naar de Mistpoort toe. 32En achter hen ging Hosaja, en de helft der vorsten van Juda. 33En Azarja, Ezra, en Mesullam, 34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia; 35En van de priesters kinderen met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Matthanja, den zoon van Michaja, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf; 36En zijn broeders, Semaja, en Azareel, Milalai, Gilalai, Maai, Nethaneel, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, den man Gods; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen. 37Voorts naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad, door den opgang des muurs, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort, tegen het oosten. 38Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik achter hetzelve, met de helft des volks, op den muur, van boven den Bakoventoren, tot aan den breden muur; 39En van boven de poort van Efraim, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en den toren Hananeel, en den toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort. 40Daarna stonden de beide dankkoren in Gods huis; ook ik en de helft der overheden met mij. 41En de priesters, Eljakim, Maaseja, Minjamin, Michaja, Eljoenai, Zacharja, Hananja, met trompetten; 42Voorts Maaseja, en Semaja, en Eleazar, en Uzzi, en Johanan, en Malchia, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers horen, met Jizrahja, den opziener. 43En zij offerden deszelven daags grote slachtofferen, en waren vrolijk; want God had hen vrolijk gemaakt met grote vrolijkheid; en ook waren de vrouwen en de kinderen vrolijk; zodat de vrolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd. 44Ook werden ten zelfden dage mannen gesteld over de kameren, tot de schatten, tot de hefofferen, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers der steden te verzamelen de delen der wet, voor de priesteren en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesteren en over de Levieten, die daar stonden. 45En de wacht huns Gods waarnamen, en de wacht der reiniging, ook de zangers, en de poortiers, naar het gebod van David en zijn zoon Salomo. 46Want in de dagen van David en Asaf, van ouds, waren er hoofden der zangers, en des lofgezangs, en der dankzeggingen tot God.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →