Bijbels onderwerp · 2 Bijbelteksten · Statenvertaling
Psalmen 59:1-9 1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. 2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan. 3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds. 4Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE! 5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie. 6Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela. 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad. 8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het? 9Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.
Jesaja 8:17 17Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.