Vrouwen: Goddelozen: Vol bedrog en ontucht

Bijbels onderwerp · 5 Bijbelteksten · Statenvertaling

Spreuken 2:16-19 16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit; 17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet; 18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen. 19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;

Spreuken 5:3-20 3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. 4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. 5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast. 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt. 7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds. 8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; 9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede; 10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden; 11En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; 12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! 13En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars! 14Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering! 15Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; 16Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten; 17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. 18Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; 19Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. 20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?

Spreuken 6:24-29 24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong. 25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden. 26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel. 27Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? 28Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? 29Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.

Spreuken 6:32-35 32Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet; 33Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden. 34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen. 35Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

Spreuken 7:6-23 6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit; 7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling; 8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis. 9In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid; 10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; 11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet; 12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem: 14Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald; 15Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. 16Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; 17Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt; 18Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde. 19Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen; 20Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. 21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen. 22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien. 23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →