Bijbels onderwerp · 20 Bijbelteksten · Statenvertaling
Psalmen 35:14 14Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
Psalmen 41:9 9Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.
Psalmen 88:18 18Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.
Spreuken 16:28 28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
Spreuken 22:11 11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
Spreuken 27:6 6De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.
Spreuken 27:9 9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
Johannes 15:14-15 14Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede. 15Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
Jakobus 2:23 23En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
Mattheüs 20:13 13Doch hij, antwoordende, zeide tot een van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning?
Mattheüs 22:12 12En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.
Mattheüs 26:50 50Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
Lucas 11:5 5En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal ter middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden;
Lucas 14:10 10Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
Johannes 15:13-14 13Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden. 14Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.
Spreuken 17:17 17Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
Spreuken 18:24 24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
Spreuken 27:17 17Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
Johannes 15:13 13Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden.
Johannes 15:15 15Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.