Bijbels onderwerp · 2 Bijbelteksten · Statenvertaling
Job 39:13-18 13Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels? 14Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. 15En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen? 16Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is. 17Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld. 18Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
Job 39:26-30 26Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden? 27Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? 28Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. 29Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. 30Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.