Bijbels onderwerp · 31 Bijbelteksten · Statenvertaling
Job 4:3-6 3Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt; 4Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld; 5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd. 6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
Job 9:16-23 16Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft. 17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden. 19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden? 20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren. 21Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven. 22Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij. 23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
Job 23:15-17 15Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem; 16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd; 17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.
Job 30:20-21 20Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij. 21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.
Psalmen 22:2 2Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
Psalmen 31:22 22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
Psalmen 42:5-6 5Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. 6Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.
Psalmen 49:5 5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.
Psalmen 73:13-17 13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. 14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens. 15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen. 16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; 17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
Psalmen 77:3 3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
Psalmen 77:7-9 7Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht: 8Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? 9Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?
Spreuken 24:10 10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
Jesaja 40:27-28 27Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij? 28Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
Jesaja 49:14-15 14Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten. 15Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.
Jesaja 50:2 2Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus gans kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.
Jeremia 8:18 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
Jeremia 15:18 18Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?
Jeremia 45:3 3Gij zegt: Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moede van mijn zuchten, en vind geen rust!
Klaagliederen 3:8 8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
Klaagliederen 3:17-18 17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten. 18Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.
Klaagliederen 5:20 20Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?
Hosea 10:3 3Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
Mattheüs 8:26 26En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.
Mattheüs 14:31 31En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?
Mattheüs 17:17 17En Jezus, antwoordende, zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.
Marcus 4:38 38En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
Marcus 4:40 40En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
Marcus 9:19 19En Hij antwoordden hem, en zeide: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij.
Lucas 8:25 25En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam?
Lucas 9:40 40En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.
1 Petrus 1:6 6In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →