Tevredenheid

Bijbels onderwerp · 31 Bijbelteksten · Statenvertaling

Genesis 33:9 9Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!

2 Samuel 19:33-37 33En de koning zeide tot Barzillai: Trekt gij met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden. 34Maar Barzillai zeide tot den koning: Hoe veel zullen de dagen der jaren mijns levens zijn, dat ik met den koning zou optrekken naar Jeruzalem? 35Ik ben heden tachtig jaren oud; zou ik kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad? Zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? Zoude ik meer kunnen horen naar de stem der zangers en zangeressen? En waarom zou uw knecht mijn heer den koning verder tot een last zijn? 36Uw knecht zal maar een weinig met den koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk een vergelding doen? 37Laat toch uw knecht wederkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat dien met mijn heer den koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen.

2 Koningen 4:13 13(Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot den koning, of tot den krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks.

Psalmen 16:6 6De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.

Psalmen 37:7 7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.

Psalmen 37:16 16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.

Spreuken 14:10 10Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.

Spreuken 14:14 14Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.

Spreuken 15:13 13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.

Spreuken 15:15 15Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd.

Spreuken 15:30 30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.

Spreuken 16:8 8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.

Spreuken 17:1 1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.

Spreuken 17:22 22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.

Spreuken 30:8 8Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;

Prediker 2:24 24Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.

Prediker 3:12-13 12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven. 13Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave Gods.

Prediker 4:6 6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.

Prediker 5:12 12De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen.

Prediker 6:7-9 7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld. 8Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen? 9Beter is het aanzien der ogen, dan het wandelen der begeerlijkheid. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.

Prediker 8:15 15Daarom prees ik de blijdschap, dewijl de mens niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blijde te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon.

Prediker 9:7-9 7Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn van goeder harte; want God heeft alrede een behagen aan uw werken. 8Laat uw klederen te allen tijd wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. 9Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen uws ijdelen levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, al uw ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uw arbeid, dien gij arbeidt onder de zon.

Lucas 3:14 14En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.

1 Korintiërs 7:17 17Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verordene ik in al de Gemeenten.

1 Korintiërs 7:20-21 20Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. 21Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.

1 Korintiërs 7:24 24Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God.

Galaten 5:26 26Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.

Filippenzen 4:11-12 11Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. 12En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.

1 Timotheüs 6:6 6Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.

1 Timotheüs 6:7-8 7Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen. 8Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.

Hebreeën 13:5 5Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →