Rehabeam: Bouwt versterkte steden; is tijdelijk voorspoedig

Bijbels onderwerp · 8 Bijbelteksten · Statenvertaling

2 Kronieken 11:5-6 5Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda. 6Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa,

2 Kronieken 11:10-11 10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren. 11En hij sterkte deze vastigheden, en legde oversten daarin, en schatten van spijs, en olie, en wijn;

2 Kronieken 11:17-18 17Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, den zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Salomo. 18En Rehabeam nam zich, benevens Mahalath, de dochter van Jerimoth, den zoon van David, ter vrouwe Abihail, de dochter van Eliab, den zoon van Isai,

2 Kronieken 11:21-22 21En Rehabeam had Maacha, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren. 22En Rehabeam stelde Abia, den zoon van Maacha, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broederen; want het was om hem koning te maken.

2 Kronieken 11:7-9 7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam, 8En Gath, en Maresa, en Zif, 9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,

2 Kronieken 11:12-16 12En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gans zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne. 13Daartoe de priesteren en de Levieten, die in het ganse Israel waren, stelden zich bij hem uit al hun landpalen. 14Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen. 15En hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. 16Na die kwamen ook uit alle stammen van Israel te Jeruzalem, die hun hart begaven, om den HEERE, den God Israels, te zoeken, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, offerande deden.

2 Kronieken 11:19-20 19Dewelke hem zonen baarde, Jeus, en Semaria, en Zaham. 20En na haar nam hij Maacha, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith.

2 Kronieken 11:23 23En hij handelde verstandelijk, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →