Bijbels onderwerp · 12 Bijbelteksten · Statenvertaling
Psalmen 33:2 2Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
Psalmen 57:8 8Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
Psalmen 71:22 22Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!
Psalmen 81:2 2Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.
Psalmen 92:3 3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
Psalmen 108:2 2O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.
Psalmen 144:9 9O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.
Psalmen 150:3 3Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!
Daniël 3:5 5Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht;
Daniël 3:7 7Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natien, en tongen nedervallende, aanbaden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht.
Daniël 3:10 10Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden;
Daniël 3:15 15Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?