Penuël

Bijbels onderwerp · 6 Bijbelteksten · Statenvertaling

Genesis 32:31 31En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.

Rechters 8:8-9 8En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden. 9Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.

Rechters 8:17 17En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.

1 Koningen 12:25 25Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel.

1 Kronieken 4:4 4En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

1 Kronieken 8:25 25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →