Bijbels onderwerp · 7 Bijbelteksten · Statenvertaling
Klaagliederen 3:8 8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
Jozua 7:6 6Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.
2 Kronieken 12:6 6Toen verootmoedigden zich de oversten van Israel en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig.
Klaagliederen 3:1-7 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. 2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. 3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. 5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. 6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. 7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
Klaagliederen 3:9-20 9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. 10Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. 11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. 12Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. 13He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. 14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag. 15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. 16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt. 17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten. 18Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE. 19Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle. 20Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.
Joël 1:13 13Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.
Jona 3:5-6 5En de lieden van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe. 6Want dit woord geraakte tot den koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.