Lazarus

Bijbels onderwerp · 8 Bijbelteksten · Statenvertaling

Johannes 11:1-2 1En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha. 2(Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)

Johannes 11:5 5Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.

Johannes 11:11 11Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.

Johannes 11:14 14Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.

Johannes 11:43 43En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!

Johannes 12:1-2 1Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanie, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden. 2Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten.

Johannes 12:9-10 9Een grote schare dan der Joden verstond, dat Hij aldaar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien Hij uit de doden opgewekt had. 10En de overpriesters beraadslaagden, dat zij ook Lazarus doden zouden.

Johannes 12:17 17De schare dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →