Bijbels onderwerp · 10 Bijbelteksten · Statenvertaling
Genesis 18:12-15 12Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is? 13En de HEERE zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben? 14Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben! 15En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neen! maar gij hebt gelachen.
Genesis 21:6 6En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.
Job 8:21 21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
Psalmen 2:4 4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
Psalmen 37:12-13 12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden. 13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
Psalmen 59:8 8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
Spreuken 29:9 9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
Prediker 3:4 4Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen;
Lucas 6:21 21Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
Lucas 6:25 25Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →