Juwelen: Door Jakob beschouwd als afstotelijk voor heiligheid

Bijbels onderwerp · 4 Bijbelteksten · Statenvertaling

Genesis 35:4 4Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.

Jesaja 3:21 21De ringen en de voorhoofdsierselen,

Exodus 33:4-6 4Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich. 5En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. 6De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.

Jesaja 3:18-20 18Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes. 19De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen, 20De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →