Bijbels onderwerp · 20 Bijbelteksten · Statenvertaling
1 Samuel 8:2 2De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joel, en de naam van zijn tweeden was Abia; zij waren richters te Ber-seba.
1 Kronieken 4:35 35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,
1 Kronieken 5:4 4De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei;
1 Kronieken 5:8 8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,
1 Kronieken 5:12 12Joel was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat bleven in Basan.
1 Kronieken 6:33 33Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joel, den zoon van Samuel,
1 Kronieken 6:36 36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
1 Kronieken 7:3 3En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.
1 Kronieken 11:38 38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;
1 Kronieken 15:7 7Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.
1 Kronieken 15:11 11En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriel, Asaja en Joel, Semaja, en Eliel, en Amminadab.
1 Kronieken 15:17 17Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joel, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusaja;
1 Kronieken 23:8 8De kinderen van Ladan waren dezen: Jehiel, het hoofd, en Zetham, en Joel; drie.
1 Kronieken 26:22 22De kinderen van Jehieli waren Zetham en Joel, zijn broeder; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.
1 Kronieken 27:20 20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;
2 Kronieken 29:12 12Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joel, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleel; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;
Ezra 10:43 43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
Nehemia 11:9 9En Joel, de zoon van Zichri, was opziener over hen; en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad.
Joël 1:1 1Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joel, den zoon van Pethuel:
Handelingen 2:16 16Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel: