Bijbels onderwerp · 4 Bijbelteksten · Statenvertaling
Nehemia 7:6-7 6Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad; 7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
Nehemia 2:1 1Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht.
Nehemia 7:5 5Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:
Nehemia 7:8-53 8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig; 9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig; 10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig; 11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien; 12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig; 13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig; 14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig; 15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig; 16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig; 17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig; 18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig; 19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig; 20De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig; 21De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig; 22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig; 23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig; 24De kinderen van Harif, honderd en twaalf; 25De kinderen van Gibeon, vijf en negentig; 26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig; 27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig; 28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig; 29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig; 30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig; 31De mannen van Michmas, honderd twee en twintig; 32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig; 33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig; 34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig; 35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig; 36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig; 37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig; 38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig; 39De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig; 40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig; 41De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig; 42De kinderen van Harim, duizend en zeventien; 43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig; 44De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig; 45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig; 46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon; 48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai; 49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar; 50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda; 51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah; 52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim; 53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;