Het lot: Het land Kanaän verdeeld onder de stammen door

Bijbels onderwerp · 44 Bijbelteksten · Statenvertaling

Numeri 26:55 55Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.

Jozua 15:1 1En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;

Jozua 15:13 13Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.

Jozua 15:19-21 19En zij zeide: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen. 20Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen. 21De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeel, en Eder, en Jagur,

Jozua 18:10 10Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht des HEEREN. En Jozua deelde aldaar den kinderen Israels het land, naar hun afdelingen.

Jozua 19:51 51Dit zijn de erfdelen, welke Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen, door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdelen des lands.

Jozua 21:1-2 1Toen naderden de hoofden der vaderen van de Levieten tot Eleazar, den priester, en tot Jozua, den zoon van Nun, en tot de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels; 2En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaan, zeggende: De HEERE heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten.

Jozua 21:4-10 4Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kahathieten; en voor de kinderen van Aaron, den priester, uit de Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin, door het lot, dertien steden. 5En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van Efraim, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden. 6En aan den kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden. 7Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden. 8Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, gelijk de HEERE geboden had door den dienst van Mozes. 9Verder gaven zij van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde; 10Dat zij waren van de kinderen van Aaron, van de huisgezinnen der Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne.

Jozua 21:16-17 16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. 17En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;

Jozua 21:20 20De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van Efraim.

Jozua 21:23 23En van den stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;

Jozua 21:25 25En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.

Jozua 21:27-28 27En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen der Levieten, van den halven stam van Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beesthera en haar voorsteden: twee steden. 28En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;

Jozua 21:30 30En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;

Jozua 21:32 32En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.

Jozua 21:34 34Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van den stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden;

Jozua 21:36 36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;

Jozua 21:38 38Van den stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden;

Jozua 21:40 40Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen der Levieten; en hun lot was twaalf steden.

Jozua 21:43 43Alzo gaf de HEERE aan Israel het ganse land, dat Hij gezworen had hun vaderen te geven, en zij beerfden het, en woonden daarin.

1 Kronieken 6:61 61Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.

1 Kronieken 6:65 65En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam der kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden.

Ezechiël 45:1 1Als gijlieden nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult gij een hefoffer den HEERE offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.

Ezechiël 47:22 22Maar het zal geschieden, dat gij hetzelve zult doen vallen in erfenis voor ulieden, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen ulieden zijn, als een inboorling onder de kinderen Israels; zij zullen met ulieden in erfenis vallen, in het midden der stammen Israels.

Ezechiël 48:29 29Dit is het land, dat gijlieden zult doen vallen in erfenis, voor de stammen Israels, en dit zullen hun delen zijn, spreekt de Heere HEERE.

Micha 2:5 5Daarom zult gij niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente des HEEREN.

Handelingen 13:19 19En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaan, heeft Hij hun door het lot het land derzelve uitgedeeld.

Jozua 15:2-12 2Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af, die tegen het zuiden ziet; 3En zij gaat uit naar het zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaa; 4En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uw landpale tegen het zuiden zijn. 5De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van de Jordaan. 6En deze landpale zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-araba; en deze landpale zal opgaan tot den steen van Bohan, den zoon van Ruben. 7Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel. 8En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaieten is, tegen het noorden. 9Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baala; deze is Kirjath-Jearim. 10Daarna zal deze landpale zich omkeren Baala tegen het westen, naar het gebergte Seir, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan. 11Verder zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan te Jabneel; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee. 12De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en derzelver landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.

Jozua 15:14-18 14En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak. 15En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer). 16En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven. 17Othniel nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. 18En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?

Jozua 15:22-63 22En Kina, en Dimona, en Adada, 23En Kedes, en Hazor, en Jithnan, 24Zif, en Telem, en Bealoth, 25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor, 26Amam, en Sema, en Molada, 27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet, 28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja, 29Baala, en Ijim, en Azem, 30En Eltholad, en Chesil, en Horma, 31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna, 32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen. 33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna, 34En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam, 35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, 36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen. 37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad, 38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel, 39Lachis, en Bozkath, en Eglon, 40En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis, 41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen. 42Libna, en Ether, en Asan, 43En Jiftah, en Asna, en Nezib, 44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen. 45Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen. 46Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen; 47Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale. 48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho, 49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir, 50En Anab, en Estemo, en Anim, 51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen. 52Arab, en Duma, en Esan, 53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka, 54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen. 55Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah, 57Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen. 58Halhul, Beth-Zur, en Gedor, 59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen. 60Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen. 61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha, 62En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen. 63Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot dezen dag toe.

Jozua 21:3 3Daarom gaven de kinderen Israels aan de Levieten van hun erfdeel, naar den mond des HEEREN, deze steden en de voorsteden derzelve.

Jozua 21:11-15 11Zo gaven zij hun de stad van Arba, den vader van Anok (zij is Hebron), op den berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar. 12Maar het veld der stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, den zoon van Jefunne, tot zijn bezitting. 13Alzo gaven zij aan de kinderen van den priester Aaron de vrijstad des doodslagers, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden; 14En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden; 15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;

Jozua 21:18-19 18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden. 19Al de steden der kinderen van Aaron, de priesteren, waren dertien steden en haar voorsteden.

Jozua 21:21-22 21En zij gaven hun Sichem, een vrijstad des doodslagers, en haar voorsteden, op den berg Efraim, en Gezer en haar voorsteden; 22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.

Jozua 21:24 24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.

Jozua 21:26 26Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden.

Jozua 21:29 29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.

Jozua 21:31 31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.

Jozua 21:33 33Al de steden der Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden.

Jozua 21:35 35Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.

Meer teksten bij Het lot: Het land Kanaän verdeeld onder de stammen door

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →