Bijbels onderwerp · 10 Bijbelteksten · Statenvertaling
Genesis 3:5-6 5Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. 6En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.
Genesis 3:22 22Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.
Romeinen 7:18-19 18Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. 19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.
Romeinen 7:21 21Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.
Jesaja 5:20 20Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!
Psalmen 34:14 14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
Psalmen 37:27 27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
Romeinen 12:21 21Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.
1 Korintiërs 15:33 33Dwaalt niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden.
Romeinen 7:16-22 16En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is. 17Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 18Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. 19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. 20Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 21Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. 22Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;