Elifaz

Bijbels onderwerp · 11 Bijbelteksten · Statenvertaling

Genesis 36:4 4Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuel.

Genesis 36:10-12 10Dit zijn de namen der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuel, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw. 11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz. 12En Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.

Genesis 36:15-16 15Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz. 16De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.

1 Kronieken 1:35 35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.

Job 2:11 11Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.

Job 4:1 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

Job 15:1-35 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide: 2Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind? 3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet? 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg. 5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren. 6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u. 7Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht? 8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken? 9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is? 10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader. 11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u? 12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen? 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan. 14Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? 15Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen. 16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water? 17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen; 18Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft; 19Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging. 20Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd. 21Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over. 22Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde. 23Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis. 24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde. 25Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan. 26Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden. 27Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen; 28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden. 29Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde. 30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds. 31Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen. 32Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. 33Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom. 34Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken. 35Zijn ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.

Job 22:1 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

Job 22:1-30 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide: 2Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn. 3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt? 4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt? 5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde? 6Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen. 7Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden. 8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin. 9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld. 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd. 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u. 12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn. 13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen? 14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen. 15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben? 16Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort; 17Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan? 18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij. 19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen; 20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft. 21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen. 22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart. 23Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten. 24Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken; 25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn; 26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen. 27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen. 28Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen. 29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden. 30Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.

Job 42:7 7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

Job 42:9 9Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →