Eer uw man

Bijbels onderwerp · 22 Bijbelteksten · Statenvertaling

Spreuken 12:4 4Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.

Spreuken 31:11 11Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.

1 Korintiërs 7:3 3De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en desgelijks ook de vrouw aan den man.

Efeziërs 5:25 25Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;

Efeziërs 5:33 33Zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw, alzo lief als zichzelven; en de vrouw zie, dat zij den man vreze.

Kolossenzen 3:18 18Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.

Titus 2:4 4Opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben;

1 Petrus 3:1 1Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enigen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;

1 Petrus 3:5 5Want alzo versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig;

1 Petrus 3:7 7Gij mannen, insgelijks, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat, als het zwakste, eer gevende, als die ook medeerfgenamen der genade des levens met haar zijt; opdat uw gebeden niet verhinderd worden.

Spreuken 21:19 19Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.

Spreuken 31:1 1De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.

Spreuken 31:10 10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.

Spreuken 31:12 12Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.

Galaten 5:22 22Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

1 Petrus 3:3-4 3Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken; 4Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God.

1 Korintiërs 7:10 10Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.

Efeziërs 5:22 22Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere;

1 Korintiërs 11:3 3Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.

Efeziërs 4:1 1Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt;

Titus 2:1 1Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt.

Titus 2:3 3De oude vrouwen insgelijks, dat zij in haar dracht zijn, gelijk den heiligen betaamt, dat zij geen lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijns begevende, maar leraressen zijn van het goede;

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →