Debir

Bijbels onderwerp · 6 Bijbelteksten · Statenvertaling

Jozua 10:3 3Daarom zond Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-Am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:

Jozua 11:21 21Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.

Jozua 15:7 7Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel.

Jozua 15:15 15En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).

Jozua 15:49 49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,

Jozua 21:15 15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;

Onderwerpen onder Debir

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →