Bijbels onderwerp · 5 Bijbelteksten · Statenvertaling
1 Kronieken 6:19 19De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.
1 Kronieken 6:48 48Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.
Numeri 3:17 17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.
1 Kronieken 6:16-18 16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari. 17En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei. 18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
1 Kronieken 6:20-47 20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma; 21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai. 22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir; 23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir; 24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul. 25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth. 26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath; 27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana. 28De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia. 29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza; 30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja. 31Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des HEEREN, nadat de ark tot rust gekomen was. 32En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt. 33Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joel, den zoon van Samuel, 34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah, 35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai, 36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja, 37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, 38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel. 39En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea, 40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija, 41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja, 42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei, 43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi. 44Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch, 45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia, 46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer, 47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.
Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →