Bijbels onderwerp · 1 Bijbeltekst · Statenvertaling
Hooglied 4:7-16 7Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. 8Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amana, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden. 9Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals. 10Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer olien dan alle specerijen! 11Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon. 12Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. 13Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus; 14Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloe, mitsgaders alle voornaamste specerijen. 15O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien! 16Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!