Bijbels onderwerp · 22 Bijbelteksten · Statenvertaling
1 Koningen 4:2 2En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman.
1 Koningen 4:5 5En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, des konings vriend.
1 Kronieken 2:8 8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
1 Kronieken 2:38-39 38En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria, 39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
1 Kronieken 6:9-11 9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan; 10En Johanan gewon Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had. 11En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;
1 Kronieken 6:13-14 13En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja; 14En Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak;
1 Kronieken 6:36 36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
1 Kronieken 9:11 11En Azarja, de zoon van Hilkija, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, overste van het huis Gods;
2 Kronieken 15:1 1Toen kwam de Geest Gods op Azaria, den zoon van Oded.
2 Kronieken 21:2 2En hij had broederen, Josafats zonen, Azarja, en Jehiel, en Zecharja, en Azarjahu, en Michael, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, den koning van Israel.
2 Kronieken 22:6 6En hij keerde weder om zich te laten genezen te Jizreel; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazael, den koning van Syrie; en Azarja, de zoon van Joram, den koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreel te bezien, want hij was krank.
2 Kronieken 23:1 1Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten der honderden, Azarja, den zoon van Jeroham en Ismael, den zoon van Johanan, en Azarja, den zoon van Obed, en Maaseja, den zoon van Adaja en Elisafat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond.
2 Kronieken 28:12 12Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen van Efraim, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het heir kwamen.
2 Kronieken 31:10 10En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des HEEREN te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want de HEERE heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is.
2 Kronieken 31:13 13Maar Jehiel, en Azazja, en Nahath, en Asahel, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliel, en Jismachja, en Mahath, en Benaja, waren opzieners, onder de hand van Chonanja en Simei, zijn broeder; door het bevel van den koning Jehizkia en van Azaria, den overste van het huis Gods.
Ezra 7:1 1Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzie: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hilkia,
Ezra 7:3 3Den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,
Nehemia 7:7 7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
Nehemia 10:2 2Seraja, Azarja, Jeremia,
Jeremia 43:2 2Zo sprak Azaria, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Kareah, en al de trotse mannen, zeggende tot Jeremia: Gij spreekt leugen; de HEERE, onze God, heeft u niet gezonden, om te zeggen: Gijlieden zult niet gaan in Egypte, om aldaar als vreemdelingen te verkeren.
Daniël 1:7 7En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.
Daniël 1:19 19En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniel, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.