Abraham: Kinderen van

Bijbels onderwerp · 8 Bijbelteksten · Statenvertaling

Genesis 21:2-3 2En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had. 3En Abraham noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.

Genesis 25:1 1En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura.

Genesis 25:4 4En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.

1 Kronieken 1:32 32De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.

1 Kronieken 1:34 34Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.

Genesis 16:15 15En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismael.

Genesis 25:2-3 2En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. 3En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten.

1 Kronieken 1:33 33De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →