NBG-vertaling 1951 · Geprezen zij Israëls Redder
1Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,
2ware het niet de Here, die met ons was, toen mensen tegen ons opstonden,
3dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun toorn tegen ons ontbrandde;
4dan hadden de wateren ons overstroomd, een wilde beek ware over ons heengegaan;
5dan waren de overstelpende wateren over ons heengegaan.
6Geprezen zij de Here, die ons niet overgaf ten buit aan hun tanden!
7Onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen!
8Onze hulp is in de naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft.
Lees ook in: Statenvertaling · HSV · KJV