Genesis 1 — De schepping (31 verzen) 1. In den beginne schiep God de hemel en de aarde.
Genesis 2 — Het paradijs (25 verzen) 1. Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer.
Genesis 3 — De eerste zonde (24 verzen) 1. De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had; en zij zeide tot de …
Genesis 4 — Kaïn en Abel (26 verzen) 1. De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn; en zij zeide: Ik heb met …
Genesis 5 — Van Adam tot Noach (32 verzen) 1. Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods;
Genesis 6 — De verdorvenheid der mensen (22 verzen) 1. Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden,
Genesis 7 — Noach gaat in de ark (24 verzen) 1. En de Here zeide tot Noach: Ga in de ark, gij en geheel uw huis, want u heb Ik in dit geslacht …
Genesis 8 — De vloed neemt af – Gods belofte (22 verzen) 1. Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was, en God …
Genesis 9 — Gods verbond met Noach (29 verzen) 1. En God zegende Noach en zijn zonen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde.
Genesis 10 — De volkenlijst (32 verzen) 1. Dit zijn de nakomelingen der zonen van Noach: Sem, Cham en Jafet; hun werden namelijk zonen geboren na de vloed.
Genesis 11 — De torenbouw van Babel (32 verzen) 1. De gehele aarde nu was één van taal en één van spraak.
Genesis 12 — De roeping van Abram (20 verzen) 1. De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, …
Genesis 13 — Abram en Lot scheiden van elkander (18 verzen) 1. En Abram trok uit Egypte naar het Zuiderland, hij en zijn vrouw en al wat hij bezat, en Lot met hem.
Genesis 14 — Abrams overwinning op de koningen van het Oosten (24 verzen) 1. Het gebeurde nu in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Arjok, de koning van Ellasar, Kedorlaomer, de koning van Elam, …
Genesis 15 — Belofte en teken (21 verzen) 1. Hierna kwam het woord des Heren tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer …
Genesis 16 — Hagars vlucht voor Sarai (16 verzen) 1. Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar.
Genesis 17 — Gods verbond met Abram (27 verzen) 1. Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor …
Genesis 18 — God belooft Abraham opnieuw een zoon (33 verzen) 1. En de Here verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang …
Genesis 19 — De verwoesting van Sodom (38 verzen) 1. En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom. Lot zat in de poort van Sodom en toen Lot hen zag, …
Genesis 20 — Abraham en Abimelek van Gerar (18 verzen) 1. Abraham nu brak vandaar op naar het Zuiderland en vestigde zich tussen Kades en Sur, en vertoefde als vreemdeling in Gerar.
Genesis 21 — Geboorte van Isaak (34 verzen) 1. De Here bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, en de Here deed aan Sara, zoals Hij gesproken had.
Genesis 22 — Abrahams geloof op de proef gesteld (24 verzen) 1. Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik.
Genesis 23 — Sara’s dood en begrafenis (20 verzen) 1. En Sara leefde honderd zevenentwintig jaar; dit waren de jaren van Sara’s leven.
Genesis 24 — Isaaks huwelijk met Rebekka (67 verzen) 1. Abraham nu was oud en hoogbejaard, en de Here had Abraham in alles gezegend.
Genesis 25 — Abrahams dood (34 verzen) 1. En Abraham nam wederom een vrouw, Ketura geheten.
Genesis 26 — Isaak bij de Filistijnen (35 verzen) 1. Eens kwam er een hongersnood in het land, behalve de eerste hongersnood, die er geweest was in de dagen van Abraham; en …
Genesis 27 — Jakob ontsteelt Esau de vaderlijke zegen (46 verzen) 1. Toen Isaak oud geworden was, werden zijn ogen zo verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij riep zijn oudste zoon Esau en …
Genesis 28 — Jakobs droom te Betel (22 verzen) 1. Toen riep Isaak Jakob en zegende hem, en hij gebood hem en zeide tot hem: Neem geen vrouw uit de dochters van …
Genesis 29 — Jakob bij Laban (35 verzen) 1. En Jakob begaf zich op weg en ging naar het land der stammen van het Oosten.
Genesis 30 — Jakob verwerft zijn kudde (43 verzen) 1. Toen Rachel zag, dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd Rachel jaloers op haar zuster, en zij zeide tot Jakob: Geef mij …
Genesis 31 — Jakob vlucht van Laban weg (55 verzen) 1. En hij hoorde de zonen van Laban zeggen: Jakob heeft zich alles toegeëigend wat van onze vader was, en uit hetgeen van …
Genesis 32 — Jakob vreest Esau te ontmoeten (32 verzen) 1. Ook Jakob ging zijns weegs, en engelen Gods ontmoetten hem.
Genesis 33 — Jakob met Esau verzoend (20 verzen) 1. Jakob nu sloeg zijn ogen op en daar zag hij Esau aankomen, en met hem vierhonderd man. Toen verdeelde hij de kinderen …
Genesis 34 — Dina en de Sichemieten (31 verzen) 1. Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging eens uit om de dochters des lands te bezoeken.
Genesis 35 — Jakob andermaal te Betel (29 verzen) 1. En God zeide tot Jakob: Maak u reisvaardig, trek naar Betel, blijf daar, en richt er een altaar op voor de God, …
Genesis 36 — Esaus nakomelingen (43 verzen) 1. Dit zijn de nakomelingen van Esau, dat is Edom.
Genesis 37 — Jozef naar Egypte verkocht (36 verzen) 1. Jakob echter woonde in het land der vreemdelingschap van zijn vader, in het land Kanaän.
Genesis 38 — Juda en Tamar (30 verzen) 1. In die tijd trok Juda van zijn broeders weg en nam zijn intrek bij een man van Adullam, genaamd Chira.
Genesis 39 — Jozef in Potifars huis (23 verzen) 1. Jozef nu werd naar Egypte gebracht; en Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht, een Egyptenaar, kocht hem van de …
Genesis 40 — De dromen van schenker en bakker (23 verzen) 1. Hierna gebeurde het, dat de schenker en de bakker van de koning van Egypte zondigden tegen hun heer, de koning van Egypte.
Genesis 41 — De dromen van Farao – Jozef verhoogd (57 verzen) 1. Na verloop van twee volle jaren droomde Farao, dat hij aan de Nijl stond.
Genesis 42 — Eerste reis van Jozefs broeders naar Egypte (38 verzen) 1. Toen Jakob vernam, dat er in Egypte koren was, zeide hij tot zijn zonen: Waarom ziet gij elkander aan!
Genesis 43 — Tweede reis van Jozefs broeders naar Egypte (34 verzen) 1. Maar de hongersnood was zwaar in het land.
Genesis 44 — Jozefs beker in Benjamins zak (34 verzen) 1. En hij beval zijn huisbestuurder: Vul de zakken der mannen met koren, zoveel zij kunnen vervoeren, en leg ieders geld boven in …
Genesis 45 — Jozef maakt zich aan zijn broeders bekend (28 verzen) 1. Toen kon Jozef zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep: Laat allen van mij weggaan. En …
Genesis 46 — Jakob trekt naar Egypte (34 verzen) 1. En Israël brak op met alles wat hij had en kwam te Berseba en bracht de God van zijn vader Isaak slachtoffers.
Genesis 47 — Jozefs maatregelen (31 verzen) 1. Toen kwam Jozef bij Farao, deelde het hem mee, en zeide: Mijn vader en mijn broeders zijn met hun kleinvee, hun runderen …
Genesis 48 — Jakob zegent de zonen van Jozef (22 verzen) 1. Hierna gebeurde het, dat men tot Jozef zeide: Zie, uw vader is ziek. Daarop nam hij zijn beide zonen met zich, Manasse …
Genesis 49 — Jakobs laatste woorden tot zijn zonen (33 verzen) 1. En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal.
Genesis 50 — Jozef troost zijn broeders (26 verzen) 1. Toen wierp Jozef zich op zijns vaders aangezicht en hij beweende hem en kuste hem.