Spreuken 1 — De strekking der spreuken (33 verzen) 1. De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,
Spreuken 2 — De beschermende wijsheid (22 verzen) 1. Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt, en mijn geboden bij je opbergt,
Spreuken 3 — De zegenende wijsheid (35 verzen) 1. Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, en laat je hart mijn geboden in acht nemen,
Spreuken 4 — Vermaning tot wijsheid (27 verzen) 1. Luister, kinderen, naar de vermaning van je vader en sla er acht op om inzicht te leren kennen,
Spreuken 5 — Waarschuwing tegen de vreemde vrouw (23 verzen) 1. Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid, neig je oor tot mijn inzicht,
Spreuken 6 — Verschillende waarschuwingen (35 verzen) 1. Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste, en je iets met handslag aan een vreemde bevestigt,
Spreuken 7 — Waarschuwing tegen de verleidster (27 verzen) 1. Mijn zoon, neem mijn woorden in acht, berg mijn geboden bij jou op.
Spreuken 8 — De prediking der Wijsheid (36 verzen) 1. Roept Wijsheid niet en laat Inzicht Haar stem niet klinken?
Spreuken 9 — De nodiging van de Wijsheid en van de Dwaasheid (18 verzen) 1. De hoogste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd, Haar zeven pilaren uitgehakt.
Spreuken 10 — Lessen van levenswijsheid (32 verzen) 1. De spreuken van Salomo. Een wijze zoon verblijdt zijn vader, maar een dwaze zoon betekent verdriet voor zijn moeder.
Spreuken 11 — Rechtvaardigheid richt, goddeloosheid verderft (31 verzen) 1. Een bedrieglijke weegschaal is voor de HEERE een gruwel, maar een zuivere weeg steen is Hem welgevallig.
Spreuken 12 — De vrucht van vlijt en waarheid (28 verzen) 1. Wie vermaning liefheeft, heeft kennis lief, maar wie bestraffing haat, is onverstandig.
Spreuken 13 — Wie de tucht liefheeft, verkrijgt inzicht (25 verzen) 1. Een wijze zoon luistert naar de vermaning van zijn vader, maar een spotter luistert niet naar bestraffing.
Spreuken 14 — Wijsheid bouwt het huis, dwaasheid breekt het af (35 verzen) 1. Wijze vrouwen bouwen hun huis op, maar een die zeer dwaas is, breekt het met haar handen af.
Spreuken 15 — Een zacht antwoord keert de grimmigheid af (33 verzen) 1. Een zacht antwoord keert woede af, maar een krenkend woord wekt toorn op.
Spreuken 16 — De mens wikt, de Here beschikt (33 verzen) 1. Een mens heeft overleggingen in het hart, maar het antwoord van de tong komt van de HEERE.
Spreuken 17 — Beter een droge bete met rust (28 verzen) 1. Beter een droog stuk brood met rust erbij, dan een huis vol geslachte dieren met onenigheid.
Spreuken 18 — De naam des Heren, een sterke toren (24 verzen) 1. Een zelfzuchtige jaagt naar zijn eigen verlangen, hij barst los tegen alle wijsheid.
Spreuken 19 — Beter een arme die onberispelijk wandelt (29 verzen) 1. Beter een arme die in zijn oprechtheid zijn weg gaat, dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.
Spreuken 20 — Wijn is een spotter, sterke drank een luidruchtige (30 verzen) 1. Wijn is een spotter, sterkedrank een onruststoker, ieder die daardoor gaat zwalken, is niet wijs.
Spreuken 21 — Het hart des konings in de hand des Heren (31 verzen) 1. Het hart van een koning is in de hand van de HEERE als waterbeken, Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
Spreuken 22 — Luister naar de woorden der wijzen (29 verzen) 1. Een goede naam is verkieslijker dan grote rijkdom, goede gunst dan zilver en dan goud.
Spreuken 23 — Laat uw hart de wijzen niet benijden (35 verzen) 1. Als u aanzit om met een heerser te eten, let dan goed op wie u voor u hebt.
Spreuken 24 — Wees niet afgunstig op de bozen (34 verzen) 1. Wees niet jaloers op slechte mensen, en verlang er niet naar om bij hen te zijn,
Spreuken 25 — Spreuken verzameld door de mannen van Hizkia (28 verzen) 1. Ook dit zijn spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben overgeschreven.
Spreuken 26 — Eer past de dwaas niet (28 verzen) 1. Evenmin als de sneeuw in de zomer en de regen in de oogst tijd past eer bij een dwaas.
Spreuken 27 — Beroem u niet op de dag van morgen (27 verzen) 1. Beroem u niet op de dag van morgen, want u weet niet wat een dag kan baren.
Spreuken 28 — De goddelozen vluchten zonder dat iemand vervolgt (28 verzen) 1. Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is, maar een rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw.
Spreuken 29 — Wie hardnekkig blijft, wordt plotseling gebroken (27 verzen) 1. Wie na bestraffingen halsstarrig is, zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn.
Spreuken 30 — De woorden van Agur (33 verzen) 1. De woorden van Agur, de zoon van Jake: de last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.
Spreuken 31 — De woorden van Lemuël – de deugdelijke huisvrouw (31 verzen) 1. De woorden voor koning Lemuel, de last waarmee zijn moeder hem onderwezen heeft.