Job 1 — Jobs vroomheid op de proef gesteld (22 verzen) 1. Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. En die man was vroom en oprecht; hij was godvrezend …
Job 2 — Jobs tweede beproeving – De drie vrienden (13 verzen) 1. Opnieuw was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de …
Job 3 — Jobs bittere klacht (26 verzen) 1. Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn geboorte dag.
Job 4 — Elifaz’ eerste rede: niemand lijdt onschuldig (21 verzen) 1. Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
Job 5 — Elifaz’ eerste rede: na kastijding zegen (27 verzen) 1. Roep maar — zal er iemand zijn die je antwoordt? En tot wie van de heiligen wil je je wenden?
Job 6 — Jobs antwoord aan Elifaz: teleurgesteld in zijn vrienden (30 verzen) 1. Maar Job antwoordde en zei:
Job 7 — Jobs antwoord aan Elifaz: het leven is zwaar (21 verzen) 1. Heeft de sterveling niet een strijd te voeren op aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van een dagloner?
Job 8 — Bildads eerste rede: God straft naar recht (22 verzen) 1. Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
Job 9 — Jobs antwoord aan Bildad: tegen God kan niemand op (35 verzen) 1. Maar Job antwoordde en zei:
Job 10 — Jobs antwoord aan Bildad: waarom zoveel lijden? (22 verzen) 1. Mijn ziel walgt van mijn leven; ik laat mijn klacht de vrije loop; ik spreek in de bitterheid van mijn ziel.
Job 11 — Sofars eerste rede: verootmoedig u voor God (20 verzen) 1. Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:
Job 12 — Jobs antwoord aan Sofar: Gods bestuur schijnt willekeurig (25 verzen) 1. Job antwoordde echter en zei:
Job 13 — Jobs antwoord aan Sofar: ik leg mijn zaak aan God voor (28 verzen) 1. Zie, mijn oog heeft alles gezien, mijn oor heeft het gehoord en begrepen.
Job 14 — Jobs antwoord aan Sofar: na de dood geen hoop (22 verzen) 1. De mens, geboren uit een vrouw, is kort van dagen en verzadigd van onrust.
Job 15 — Elifaz’ tweede rede: de goddeloze gaat te gronde (35 verzen) 1. Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
Job 16 — Jobs antwoord aan Elifaz: God is mijn getuige (22 verzen) 1. Maar Job antwoordde en zei:
Job 17 — Jobs antwoord aan Elifaz: het graf wacht mij (16 verzen) 1. Mijn geest is te gronde gericht, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij bestemd.
Job 18 — Bildads tweede rede: het lot van de goddeloze (21 verzen) 1. Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
Job 19 — Jobs antwoord aan Bildad: mijn Losser leeft (29 verzen) 1. Job antwoordde echter en zei:
Job 20 — Sofars tweede rede: kort is de vreugde van de goddeloze (29 verzen) 1. Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:
Job 21 — Jobs antwoord aan Sofar: toch gedijen de goddelozen (34 verzen) 1. Maar Job antwoordde en zei:
Job 22 — Elifaz’ derde rede: bekeer u tot de Almachtige (30 verzen) 1. Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
Job 23 — Jobs antwoord aan Elifaz: kon ik God maar vinden (17 verzen) 1. Maar Job antwoordde en zei:
Job 24 — Jobs antwoord aan Elifaz: waarom straft God niet? (25 verzen) 1. Waarom zijn de tijden niet verborgen voor de Almachtige, terwijl zij die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
Job 25 — Bildads derde rede: geen mens rein voor God (6 verzen) 1. Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
Job 26 — Jobs antwoord aan Bildad: Gods grootheid (14 verzen) 1. Maar Job antwoordde en zei:
Job 27 — Jobs slotrede: geen hoop voor de goddeloze (23 verzen) 1. En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
Job 28 — Het lied op de wijsheid (28 verzen) 1. Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt, en een plaats voor het goud waar het gezuiverd …
Job 29 — Jobs slotrede: de dagen van voorheen (25 verzen) 1. En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
Job 30 — Jobs slotrede: mijn tegenwoordige ellende (31 verzen) 1. Maar nu lachen ze om mij, mensen die jonger van dagen zijn dan ik; hun vaders zou ik nog afgewezen hebben om …
Job 31 — Jobs slotrede: de eed van onschuld (40 verzen) 1. Ik heb een verbond gesloten met mijn ogen; hoe kan ik dan begerig naar een jonge vrouw kijken?
Job 32 — Elihu’s eerste rede: hij kan niet zwijgen (22 verzen) 1. Toen hielden deze drie mannen op Job te antwoorden, omdat hij in zijn eigen ogen rechtvaardig was.
Job 33 — Elihu’s eerste rede: God spreekt tot de mens (33 verzen) 1. Maar luister nu toch naar mijn betoog, Job! en hoor al mijn woorden aan.
Job 34 — Elihu’s tweede rede: God handelt rechtvaardig (37 verzen) 1. Verder antwoordde Elihu en zei:
Job 35 — Elihu’s derde rede: wat baat de gerechtigheid? (16 verzen) 1. Verder antwoordde Elihu en zei:
Job 36 — Elihu’s vierde rede: beproeving leidt tot bekering (33 verzen) 1. Elihu ging verder en zei:
Job 37 — Elihu’s vierde rede: Gods majesteit in de natuur (24 verzen) 1. Ja, hierover beeft mijn hart, en het springt op van zijn plaats.
Job 38 — Des Heren eerste antwoord uit de storm (41 verzen) 1. Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
Job 39 — Des Heren eerste antwoord: de dieren der wildernis (38 verzen) 1. Kunt u voor de leeuwin op prooi jagen en het verlangen van de jonge leeuwen vervullen,
Job 40 — Des Heren tweede antwoord: de Behemot (28 verzen) 1. Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
Job 41 — Des Heren tweede antwoord: de Leviatan (34 verzen) 1. Niemand is zo onverschrokken dat hij hem wakker maakt; wie is dan degene die staande kan blijven voor Mijn aangezicht?
Job 42 — Job herroept en doet boete (17 verzen) 1. Toen antwoordde Job de HEERE en zei: